Paragraaf 2. Integriteit.
Een coach moet niet alleen in staat zijn om in korte tijd een vertrouwensrelatie op te bouwen met een coachee, hij moet deze vertrouwensrelatie ook in stand houden. Dat lukt alleen zolang de coachee weet én aanvoelt dat de coach integer is. Een coach toont aan integer te zijn door de volgende gedragsregels na te leven:
- Een coach is eerlijk, betrouwbaar, transparant en oprecht.
- Een coach laat zich niet in met praktijken die de wet overschrijden.
- Een coach gaat vertrouwelijk om met alle informatie over de coachee die hij direct, indirect of door enige andere bron heeft ontvangen.
- Een coach maakt geen misbruik van situaties, omstandigheden of kennis waarin de coachee afhankelijk van hem is.